Hans Onno van den Berg

Strategie & Bedrijfsontwikkeling
in kunst en cultuur

China weet heel goed waarom kunst gesubsidieerd moet worden

Vorige maand bracht ik 10 dagen in Bejing door. Daar bezocht ik onder andere het mooiste theater ter wereld: het National Center for the Performing arts (NCPA ). Het werd opgeleverd in 2007 en ligt vlak naast het Tiananmenplein, waar ook het Chinees Nationaal Museum en het Volkscongres staan. Het wordt in Bejing het ‘Ei’ genoemd. Als je de foto ziet, zie je ook meteen waarom.

 26

De franse architect Paul Dreu heeft onder dat reusachtige dak 3 zalen neergezet: een opera met 2.400 stoelen, een concertzaal met 2.050 stoelen en een schouwburgzaal met 1.050 stoelen. Ze kunnen alle 3 tegelijk worden bespeeld, zonder dat ze last hebben van elkaar, de foyers zijn groot genoeg om alle 5.500 bezoekers in één keer koffie  (thee) te schenken (aan personeel geen gebrek in China), er zitten 3 restaurants en een theaterwinkel in en ze zijn overkapt met deze prachtige weerspiegelende titaniumschil. Het totale gebouw heeft uiteindelijk € 350 miljoen gekost. Dat is € 65.000,- per stoel, ruim twee keer zoveel als wat nieuwbouw in Nederland kost (ca. € 30.000,-).

27

Op een groot bord bij de ingang (onder water) wordt uitgelegd waarom de Chinese overheid financiering van de kunst belangrijk vindt:

“Het doel van kunstproductie is het publiek te dienen. Alleen programma’s die de toets van de zaal en de markt doorstaan zijn van blijvende vitaliteit en geven het beste het streven van het NCPA weer om bij de bevolking weerklank te vinden en te dienen. Deze programma’s zijn misschien nog niet perfect en het is nodig ze werkenderweg voortdurend bij te vijlen, zodat zij steeds beter kunnen worden en elke dag de perfectie dichter benaderen. (..) Zij verrijken het culturele leven van de bevolking in hoge mate. Zij vertegenwoordigen de kernwaarde van het NCPA om de kunsten tot leven te brengen en het leven te veranderen. (..) Op dit pad zal een inventarisatie van succes en mislukken, van winst en verlies het ons mogelijk maken ons naar de toekomst verder te ontwikkelen”.  

Om die reden haalt het NCPA jaarlijks een groot internationaal productieteam naar Bejing om daar alle grote Europese opera’s te brengen. Want, zo formuleert het NCPA zijn missie, de eigen Chinese traditie in de podiumkunsten is vanzelfsprekend onovertroffen en krijgt in het nieuwe gebouw ook alle ruimte zich verder vanuit eigen kracht te ontwikkelen, maar China mist wel iets: de Europese operatraditie. Om dat gemis in te halen werd in 2008 begonnen met Puccini wordt elk jaar een andere grote operacomponist naar Bejing gehaald. Lorin Maazel, de Scala van Milaan, megaproducties waarin geld geen rol speelt en waar naast de buitenlandse Maestro’s en diva’s Chinese dirigenten en zangers in spiegelrollen worden ingezet zodat ze het daarna op eigen kracht kunnen. Rossini, Mozart, in 2012 was Wagner aan de beurt. Van elke productie wordt een uitvoerige tentoonstelling ingericht. De kaartjes (van € 40,- tot € 80,- per plaats) zijn naar Nederlandse maatstaven redelijk, voor Chinese begrippen duur. De zalen zitten vol. Tenminste 80% (schatting) van de exploitatie van de NCAP wordt gesubsidieerd.

Maar niet alleen de centrale Chinese overheid weet waarom een uiterst prestigieus operahuis zin heeft. Ook provinciale overheden begrijpen nut en noodzaak van overheidsfinanciering van kunst en cultuur. Wang Mingxi, een Chinese fietsengek uit Bejing, verzamelde in 60 jaar van zijn leven meer dan 370 verschillende soorten fietsen uit 16 verschillende landen. Hij begon op zijn 18e, maar kon de verzameling op zijn 77ste niet meer goed handlen. Teveel geworden. In 2008 kwam Yang Lie, de partijsecretaris van de 120 km verderop gelegen stad Bazhou bij hem langs. ‘Economische concurrentie tussen steden en regio’s wordt in toenemende mate bepaald door aan de cultuur gerelateerde sectoren’, stelde hij en daarom wilde hij in zijn regio een museum voor volkscultuur realiseren. ‘Ik las over Wang in de krant en een fietsmuseum leek mij een uniek stuk cultuur’, aldus de partijbons. Het heet nu het Chinees Fiets Museum. Het meest waardevolle item betreft de Platinum People, een Engelse fiets uit 1910, door Wang in 1975 verworven voor € 600,-, die op dat moment € 60,- per maand verdiende. In 1998 bood een rijke Engelsman € 60.000,- om de fiets terug te kopen. Wang weigerde, want: ‘niet alles is te koop’. De overheid van Bazhou bouwde het museum en betaalt de curator en twee fietsenmakers om de collectie te onderhouden, de toegang is gratis en er komen volgens de curator meer dan 200.000 bezoekers per jaar. Volkskunst is een troef voor deze regio. De culturele sector haalde in 2011 een omzet van meer dan 1,6 miljard Yuan (€ 180 miljoen), ongeveer 5,5% van het bruto regionaal product, aldus de China Daily. ‘Ik ben heel blij dat mijn privé collectie een plek heeft mogen vinden bij de cultuurindustrie van deze regio’, aldus Wang.

28

Dat dit museum nu in Bazhou staat is voor Nederland natuurlijk een gemiste kans. Fietsland nr. 1, maar een goed stevig museum over ons ijzeren ros hebben we niet. Velorama in Nijmegen doet met 250 vooral oude fietsen als enige zijn – vooral vrijwillige - best en er is een fietsenhandelaar in Amsterdam Dr. Beyk (humor) die voor € 25,- per baksteen probeert een nationaal museum met behulp van een crowdsourcing van de grond te krijgen. That’s it.

In Nederland worstelen we de afgelopen 3 jaar heftig met de vraag of het politieke draagvlak voor overheidsfinanciering van de kunst niet te zeer is afgekalfd. Zowel de NCPA als het fietsmuseum illustreren dat de Chinese overheid met die legitimatie geen enkele moeite heeft. Niet alleen is het gerechtvaardigd (veel) overheidsgeld aan kunst uit te geven omdat kunst ‘het culturele leven van de bevolking verrijkt’, of zelfs ‘het leven verandert’, maar er mag zelfs geld worden uitgeven aan mislukkingen om van fouten te kunnen leren en ‘elke dag de perfectie dichter te benaderen’.  In de regio begrijpt China dat de stedenconcurrentie ‘in toenemende mate wordt bepaald door de cultuur’. Met zoveel argument wordt er niet op een paar Yuan meer of minder gekeken.